Nietsheid

Stil staar ik naar de gitzwarte lucht en de nauwelijks van het geheel te onderscheiden sinistere wolken die op de ijselijke wind voortwaaien. In de verte klinkt een omineus grommend onweder en een snelle flits doet het landschap oplichten. Een doods landschap dat als een verlopen aquarel naadloos zonder horizon overloopt in de onheilspellende kolkende massa van wolken. In het korte oplichten van de duisternis door de bliksem zie ik dat ik aan een afgrond sta. In dat korte ogenblik gulst de onpeilbare diepte mijn blikken op en voel ik de genadeloze duisternis aan mijn ziel trekken. Het is alsof de leegte mijn levende essentie uit mijn lijf wil rukken en mijn ziel ten onder wil laten gaan in de absolute leegheid van de afgrond. Een afgrond zo resoluut en overstelpend dat er geen laatste wanhopige doodskreet uit kan ontsnappen. De duisternis in de diepte is de poort naar de hel. Een plaats waar eenieder die erdoor verzwolgen wordt, zal dwalen in een limbo en voortdurend uit elkaar gescheurd worden door de nietsheid, door het verpletterende nihilisme en, als het ware, door de relativistische molenstenen van het huidige denken, vermalen worden tot stof. En juist als de laatste flarden van het zijn zich nog eenmaal oprichten naar het vale licht dat over de rand van de afgrond glijdt, slaat de nietsheid haar klauwen weer in het vlees van de ziel en trekt deze altoos weer terug in de diepte.
De verschroeide leegte van het ideologisch landschap waartoe de westerse maatschappij zich begeeft is een van alle schoonheid en zingeving ontdaan landschap. Zo doods en verloren dat zelfs de duizenden verzwolgen zielen niet de vruchteloze aarde verjongen. Een duisternis zo hopeloos dat geen bittere traan een kieming aan de dorre aarde kan ontlokken, een waarlijke dodenakker der dromen waar de ziel voor eens en altijd ten onder gaat.
Een ziel welke het zicht op de schaarse zonnestralen verloren is en geen hoop meer kan ontwaren in de verzwelgende nietsheid, een ziel wiens zijn overspoeld wordt met verdriet en weemoed, is weerloos tegen de peilloze diepte. En de diepte zal er altijd zijn. De diepte is pijn, verdriet, tegenslag, verlies. Maar de diepte is ook nietigheid, doelloosheid en de absolute negatie van het licht. De ziel die niet langer haar vleugels spreidt en poogt de duistere nietsheid te ontstijgen, zal gelijk Icharus ter aarde storten en in bittere radeloosheid slechts een schaduw van het eigen zijn kunnen ontwaren op de dode aarde van de woestenij der onwetendheid. In de nietsheid wordt het zelf ontbonden en verspreidt over de dorre leegte.
Het licht is nu een zacht gloeien achter de grauwe sluier van wolken en dan een prangende straal die door de verstikkende nevelen priemt en de koude dode aarde voor een vluchtig moment de warmte laat voelen. De ziel die in de nietsheid het voorbijgaande licht kan zien is een ziel die het licht als kompas kan vatten en het volgen naar het licht boven de nevelen. Naar die regionen van het zijn waar het duidelijk is dat men in de onwetendheid heeft gedoold. Waar men met medelijden kan kijken naar het zelf dat niet wist en naar diegenen die de tergende worsteling nog doorleven. Men kan hen niet helpen anders dan het wijzen van het licht. Zij die niet kunnen of willen zien, zullen over de rand van de afgrond tuimelen en verzwolgen worden door de nietsheid.
Zij die hoger en hoger vliegen zullen meer en meer zien dat de leegte tot slechts een schaduw verwordt. Het licht is nu zo sterk dat het de duisternis verdrijft en er slechts een vervult zweven rest waarin men steeds dichter tot de bron komt. Hier kan de ziel zijn hoogste zijn uiten en na een leven van worsteling en de duisternis verslagen te hebben, opgaan in de bron en wederom één worden met al dat is.
Zoals de enkele ziel zonder aspiraties naar het hogere zal vergaan in de nietsheid, zo zal een volk ook verdrinken in de kolkende stroom van chaos die het aardse leven behelst. Als een volk geen identiteit heeft om aan vast te houden, is men weerloos tegen invloeden die de eenheid willen verzwelgen en het rijzende individu terug in de chaos willen werpen. Men zal als ontwortelde bomen slechts mee kunnen drijven in de genadeloze stroom van de nietsheid. Als men, echter, sterke wortels heeft die diep in de aarde reiken, zal men standvastig weerstand bieden aan de chaos. Een volk moet zich richten op het licht en het immer streven naar het zichzelf vervullen van zoveel mogelijk van dat licht als hoogste waarde hebben. Slechts dan zal een volk voortbestaan en vervulling vinden.

